Afbeelding invoegen

Geschiedenis van de Loge Willem Frederik Karel

Met haar oprichting op 19 november 1825 is de vrijmetselaarsloge Loge Willem Frederik Karel de op
één na oudste nog bestaande vereniging van Den Helder. De loge is bij de oprichting vernoemd naar Prins 
Willem Frederik Karel vanOranje-Nassau, die de toenmalige Grootmeester van de Orde was. Dit was ook
de reden tot keuze voor de kleuren van onderscheiding, namelijk wit en oranje. Deze vrijmetselarijvereniging
draagt het anciënniteitsnummer 41, wat betekent dat dit de 41e loge in oprichting is sinds het bestaan van het 
Grootoosten der Nederlanden. De eerste voorzittend meester was de toenmalige commissaris van politie 
Pieter d'Armanville.
 
Niet de eerste vrijmetselaarsloge in Den Helder
Loge Willem Frederik Karel was niet de eerste vrijmetselaarsloge in Den Helder. Bekend is het bestaan
van enkele zogenaamde 'ambulante' loges: loges behorende bij leger- of marineonderdelen die na verloop
van tijd weer uit de stad vertrokken.Van 1804 tot 1805 verbleef de loge "L'Union Constante militaire",
behorende bij het 20ste bataljon Bataafse Infanterie in Den Helder en in 1812 was er ook nog de loge
"Les Elèves de Mars et Neptune" waarvan de leden deel uitmaakten van het 33ste Regiment lichte infanterie.
 
Jaren van oprichting (1821-1826)
Met de oprichting van het Helderse departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in 1822
ontstond er onder de reeds in 'Helder' wonende vrijmetselaren en de leden van het departement van 't Nut
het enthousiasme tot het stichten van een eigen loge. In oktober 1825 wordt, door de toenmalige politie-
commissaris Pieter d'Armandville en tevens vrijmetselaar, een verzoek bij het hoofdbestuur in 's-Gravenhage
een verzoek ingediend tot het mogen oprichten van een loge dragende de naam 'Willem Frederik Karel' met
als kleuren oranje en wit. Het is de tijd waarin Prins Frederik Grootmeester van de Orde is. Het verzoek wordt
in de vergadering van het hoofdbestuur op 19 november 1825 behandeld en bij brief van 23 november 1825
wordt een positief antwoord gegeven.
 
Door de strenge winter en hierdoor onbereikbaarheid van 'Helder' zal het tot 08 mei 1826 duren voordat de
loge officieel kan worden geïnstalleerd. Prins Frederik is hier zelf niet bij, maar een zware delegatie van de
Orde onder leiding van de toenmalige vice-president Jan Schouten heeft deze installatie bijgewoond. Daar de
constitutiebrief uitgegeven door het hoofdbestuur en ondertekent door de Grootmeester Prins Frederik
gedateerd is op 19 november 1825 wordt dit als officiële datum van oprichting gezien.
 
Als onderkomen huurt de loge een zaaltje achteraf in het toenmalige logement 'Concordia' aan het einde van
de kanaalweg welke later geheel in handen zal komen van de loge.
 
19e eeuw: aankoop in de Koningsstraat
De loge floreert en in 1828 hebben de leden van de loge behoefte aan een eigen logegebouw. Vanwege het
niet rond kunnen krijgen van de financiën heeft dit tot 1874 geduurd en is er bouwgrond in de Koningsstraat
gekocht waar later een logegebouw in gebruik wordt genomen. De jaren hierna leveren echter een periode
van financiële tekorten, zowel door de bouw van het nieuwe logegebouw als ook doordat het ledenaantal van
m.n. leden afkomstig uit de koopvaardij verminderd door het graven van het Noordzeekanaal. Van de 130
leden in 1874 is het aantal leden in 1888 geslonken tot 62. Verkoop van het logegebouw dreigt, maar door
ingrijpen van het hoofdbestuur om de loge voor Noord Holland te kunnen behouden zijn de problemen voor-
lopig voorbij.
 
20e eeuw: opkomst Serviceclubs en aankoop militair tehuis
In 1888 wordt de oprichting van een vrijmetselaars-sociëteit in Schagen goedgekeurd waar de leden uit Den
Helder regelmatig de bijeenkomsten inleiden. Het ledenaantal schommelt nog steeds; naast de verdere ont-
wikkeling van het Noordzeekanaal komen ook de serviceclubs in opmars. 
 
Vanaf het ontstaan van de loges tot op heden zagen en zien veel vrijmetselaren het uitoefenen van weldadig-
heid als hun voornaamste plicht. Dit loopt dan ook als rode draad door de geschiedenis van de loge. Zeker de 
periode tussen de 19e en 20e eeuw laat hierin veel initiatieven zien. Ook in ruime kring is de inzet van de vrij-
metselaren voor militairen bekend en op 29 oktober 1908 wordt door 12 leden van de loge het Algemeen
Militair Tehuis (AMT)  opgericht als tegenhanger van de reeds bestaande katholieke of protestantse tehuizen.
Mede door subsidie van de Koninklijke Marine wordt op 10 juli 1917 aan de Spoorstraat het AMT officieel in
gebruik genomen. De opgerichte stichting AMT, waarvan de bestuursleden voornamelijk uit de loge komen,
ontvangt vanuit de rijksoverheid een jaarlijkse subsidie voor de exploitatie, overige kosten worden betaald uit
de verhuur van de 12 kamers en de baromzet. Deze inkomsten blijkt echter onvoldoende door het teruglopende
aantal bezoekers waardoor op 01 januari 1984 wordt besloten het gebouw te sluiten en te verkopen aan de
'Marine Onder Officieren Club (MOOC)' in juni dat jaar. Uit de opbrengst is een pensioensvoorziening voor de
beheerder en zijn vrouw gekocht, de rest is in een fonds gestopt waar met het rendement jaarlijks sociale
activiteiten zijn ondersteund.
 
In 1922 wordt het logegebouw aan de Koningsstraat verkocht en koopt de logement gebouw van de
'Machinistenclub der Koninklijke Marine' aan de Hoofdgracht. Op 21 juli 1924 is deze officieel geopend. Het
ledenaantal stabiliseert tot 65 en in 1925 wordt het honderdjarige bestaan van de loge gevierd.
 
De oorlogsjaren 1940-1945
Op 09 mei 1940 komen de leden bijeen voor hun wekelijkse bijeenkomst, niet wetende dat dit de laatste zal zijn.
Op 10 mei breekt de oorlog uit en wordt Den Helder fors gebombardeerd. Een van de eerste verordeningen van
de Duitse bezetter is het verbieden van de logebijeenkomsten. Mr. Hermans uit Amsterdam wordt aangesteld als
liquidateur en geeft de commissaris van politie de opdracht het gebouw te verzegelen. In september wordt dit
zegel, in opdracht, weer verbroken en worden alle goederen opgeslagen op het politiebureau. De leden worden 
verplicht hun attributen als het schootsvel, handschoenen en onderscheidingstekens in te leveren. Op 06 september
1940 wordt bij monde van de toenmatige Grootmeester Hermanus van Tongeren medegedeeld dat de Orde is
ontbonden. De Duitsers geven vervolgens opdracht om alles wat betrekking heeft tot de vrijmetselarij te vernietigen. 
 
De eigendommen van de loge zijn echter via Den Haag naar Duitsland afgevoerd en hier bewaard gebleven. Met
hulp van het hoofdbestuur zijn deze na de oorlog weer terugbezorgd. Vooral de notulen van de loge, vanaf de
datum van oprichting zijn een kostbaar bezit en heeft de loge weer volledig teruggekregen. Helaas hebben enkele
leden de oorlog niet overleefd.
 
Na de oorlog: Molengracht 5 en de Baanderstempel
Vrijwel direct na de bevrijding komen de leden, voor zover zij nog in de stad wonen, weer bijeen. Het logegebouw
aan de Hoofdgracht is door de bezetter gesloopt waardoor de eerste bijeenkomst plaats vond in het gebouw van de
Nutsspaarbank. Langzaam komen de werkzaamheden op gang, keren ook vrijmetselaren weer terug naar Den Helder
en op 16 september 1946 vindt de eerste na-oorlogse inwijding plaats. De behoefte aan een nieuw logegebouw wordt
sterker en door bemiddeling van Burgemeester Ritmeester, tevens lid van de loge, wordt de voormalige dokters-
woning van  huisarts Van Der Most aan de Molengracht 5 aangekocht, waar tot op heden de loge gevestigd is.
 
Bij de verbouwing van de woning tot logegebouw geeft de Helderse architect en lid van de loge Peters de leiding.
Als voorbeeld voor de inrichting is de loge 'Concordia Res Parvae Crescunt' te Sneek gekozen welke ontworpen is
door de architect H.A.J. Baanders in 1938. Op 08 mei 1948 wordt het nieuwe logegebouw in aanwezigheid van de
Grootmeester ingewijd en in gebruik genomen. In de jaren daarna leidt de loge een rustig bestaan en is geworden tot
de loge welke nu nog steeds actief is.
 
(Bron: 'Vrijmetselaren in Den Helder 1825-2015', W.F.H. van der Paard)